Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook contact met de bewindhebbers van de Oostindische Compagnie.

Tussen de universiteit van Leiden en de Compagnie bestond dit contact al sedert 1599. Want toen hadden de Staten van Holland aan de „Heeren Bewindhebbers” bet verzoek gericht „ten dienste ende tot vorderinge” van de universiteit, om „deur eenighe van de ghene die hem des aengaende mochten verstaen, mede ghinghen ende in U.E.E. dienste waren, onse Universiteyt, den Hof van de medecijnen ende de mineraulxplaatse te verzien ende stofferen van zaden, vruchten, bollen, wortelen, cruyden, bloemen, gommen, haersch, gedierte, opwerpsel van de zee ende diergelijcke, als in die landen zouden moghen ghevonden worden ons alhier ongewoon ende onbekend.”

Op dat verzoek, door Paauw toen overgebracht, was ontvangen „een favorabel antwoort ende toezegghinghe om t’zelfde te doen effectueren”. Toen men in September 1601 in Leiden had vernomen, „dat diezelfde schepen nevens andere ghelockelik haer reyse gedaen hebben, ende nu rede in bequaem haven (daer de Heere voor moet ghedanckt wesen) zijn”, vroeg de universiteit aan de Heren Bewindhebbers om de gedane beloften gestand te doen.

Maar vermoedelijk was de opdracht te vaag geweest en het resultaat pover. Want Clusius wist te bereiken, dat de uitvarende schepen het volgend jaar de onderstaande memorie meekregen:

Memorie voor die Appotteckers ende Chyrugins die den jaer 1602 op de vlote, naer Oost-Indien vaeren sullen

Dat zij mede brenghen tusschen pampier geleyt tacxkens met haer blaederen ende vruchten ende bloemen waert mogelijck, van: muscaten nooten beyde soorte mannekens ende wijfkens, swartepeper, witte peper, lange peper betle, cubeben, mangas, mangostoncs, ende diergelijcke boonen van eene soorte cattoen dat bij Bantam

Sluiten