Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII. 1604—1609:

„EXOTICORUM LIBRI DECEM”; DOOD VAN MARIE DE BRIMEU; DOOD VAN LIPSIUS; CLUSIUS’ „EPHEMÉRIDES”; DODONAEUS’ „HERBARIUS OFT CRUYDT-BOECK”; DOOD VAN SCALIGER; DOOD VAN CLUSIUS

De verschijning van het tweede deel van de verzamelde werken van Carolus Clusius, waarvoor Moretus eerst maar weinig had gevoeld, maar waaraan hij toch in het Leidse filiaal van de Plantijnse drukkerij was begonnen, liet ook weer geruime tijd op zich wachten. Welke de redenen van deze vertraging zijn geweest, is niet met afdoende zekerheid meer vast te stellen. Clusius gaf de schuld aan Moretus. Maar aangezien er over de „Exoticorum libri decem” geen briefwisseling bestaat, waaruit de juiste oorzaak van dit treuzelen zou zijn op te maken, kan de schuld ook wel elders hebben gelegen.

Blijkbaar heeft Clusius zich in deze tijd ook in verbinding gesteld met de vroedschap van Enkhuizen in verband met zijn verzamelingen, waarover in het vorig hoofdstuk reeds het een en ander is medegedeeld, want in een brief van Bernardus Paludanus van dat jaar is te lezen: „De burgemeesters beloven mij verder, dat hun dienst en medewerking voor U steeds beschikbaar zal zijn”.

Een van de belangrijkste correspondenten van Clusius in deze jaren werd een jong Frans edelman, Nicolas Claude Fabri, heer van Peiresc. Later trad hij in de magistratuur en werd één van die literaire juristen, zoals Frankrijk er in de zeventiende eeuw en ook later zo talloos vele bezat. In 1602 studeerde hij te Padua, alwaar hij behoorde tot de kring, die zich daar rond Pinelli had geschaard. Na

Sluiten