Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diens dood ontving Fabri door een merkwaardige colnci dentie de nog nakomende brieven van Gusius en bood hem daarop zijn diensten aan, „infmiment desireux de trouver des occasions de vous rendre service”, gelijk bij naar Leiden berichtte. Gusius maakte dadelijk een dankbaar gebruik van dit aanbod en zo ontwikkelde zich een belangwekkende briefwisseling.

Aan het einde van 1604 vroeg Gusius een hele lijst van zaden bij Fabri aan en in Februari 1605 ontving hij behalve de 18 aangevraagde nog een gelijk aantal, die Fabri in Provence, waar tij een kasteel bezat, had vergaard. Bovendien had Fabri daaraan nog toegevoegd een aantal paddestoelen (Clathrus cancellatus L.) en een paar fossielen van schelp- en koraaldieren.

In 1605 op de najaarsmesse kwam te Frankfort waarlijk uit het tweede deel van Gusius’ verzamelde werken: „Exoticorum libri decem: quibus Animalium, Plantarum, Aromatum, aliorumque peregrinorum Fructuum historiae describuntur: item Petri Bellonii Observationes”. Het werk is opgedragen aan de Staten van Holland en West-Friesland.

In tegenstelling met het eerste deel van de opera omnia, dat toch min of meer een geheel was, is dit tweede deel een conglomeraat van allerlei soort werk. In herdruk zijn hierin nogmaals aanwezig de Latijnse vertaling van Garcia da Orta, Acosta en Monardes, respectievelijk liber VH, VIII en IX van dit werk in tien boeken.

Na de in 1593 verschenen complete vertalingen was het werk van Garcia da Orta met een aantal houtsneden vermeerderd, de tekst was in overeenstemming gebracht met de laatste opvattingen, de noten waren dienovereenkomstig gewijzigd. Bovendien waren in een toevoeging, getiteld „Perutiles quaedam in Aromatum Garciae Historiam Notae” correcties gegeven op de onbetrouwbare Arabische nomenclatuur van Da Orta’s werk, die afkomstig waren van Scaliger.

Geringe tekstwijzigingen en vermeerdering van het aantal houtsneden vertoont ook de nieuwe druk van de vertaling van Acosta.

Sluiten