Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een bezoek gebracht om de tulpenaanplant van den hertog te zien. In de reeds meermalen geciteerde brief van Glusius aan Paludanus van Maart 1601 vinden we: „Slechts twee brieven heb ik gekregen van de doorluchtige hertogin, nadat zij te Luik was gekomen, waar zij nog vertoeft; en de volgende lente denkt zij te gaan naar de baden van Aken, hoor ik; vervolgens naar de bronnen van Spa. Men zegt, dat haar man veertien dagen bij haar vertoefd heeft. Hoe die zaken zullen aflopen, weet God alleen, want haar echtgenoot is een zeer slecht man”.

Emanuel van Meteren in zijn „Historie der NederLandscher ende haerder Na-buren Oorlogen ende geschiedenissen” zegt van haar: „In Nederlant tot Luyck is in April ghestorven de Gravinne van Meghen, vanden huyse Brimeu, getrout metten Hertogh van Arschot, Charles de Groy, Drost des Rijcks, etc. Alsoo dese Vrouwe haer altijt ghehouden hadde vande Ghereformeerde Religie, heeft sy veel in ’s Gravenhaghe in Hollant ghewoont, ende daer nae ter geliefte van haren Man den Hertoge, tot Luyck in een neutrale plaetse, ende is sonder kinderen gestorven”.

Heel lang heeft de hertog over dit verlies evenwel niet getreurd. Reeds in zijn brief van 21 October 1605 aan Paludanus wist Clusius te berichten: „De hertog van Aerschot heeft zich na de dood van zijn vrouw spoedig naar een tweede huwelijk gehaast en ik hoor, dat hij een jong meisje gehuwd heeft, de dochter van zijn oom, Markies de Havres”.

Dit stemt geheel overeen haast met de mededeling bij Van Meteren: „Dies desen Vorstelijcken Hertoghe ontrent Kerstmisse wederomme getrout heeft een jonger Vrouwe, Dorothea de Croy, Dochter vanden Marquis de Havre, zijn Nichte, 16 ofte 17 jaren out”.

Zo was wederom een figuur uit de vriendenkring van Glusius heengegaan en ditmaal een van zijn weinige vriendinnen. Op de meest hartelijke wijze had Marie de Brimeu zich altijd voor Clusius geïnteresseerd en waar zij kon, had zij hem geholpen en bijgestaan. Door haar ver-

Sluiten