Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar die bijna steeds reizende is geweest en wat er over bleef aan tijd aan zich en zijn vrienden beeft besteed”, had Lipsius niet verder aangedrongen. We weten bovendien niet, of Lipsius, die in 1587 en 1588 rector magnificus was van de Leidse universiteit, deze poging beeft ondernomen als particulier of in opdracht van de Senaat.

Wel weten we, dat de kruidtuin hem ter harte ging, want bet was immers tijdens zijn rectoraat, dat in 1587 tot de inrichting van de medische tuin werd besloten en aan de Burgemeesters van Leiden gevraagd om „de ledige plaetse achter de universiteyt (daer toe die voorlanghe es gedestineert)” geschikt te maken „tot eenen hoff, dienende tot leeringe van aller de gbene, die der Medecijnen studeren”.

Het was in 1589 ook Lipsius geweest, die Petrus Paauw naar Leiden bad gebaald.

En toen Lipsius in 1591 uit Leiden was vertrokken en zich naar Luik bad begeven, was de briefwisseling tussen hem en Clusius een voortzetting geworden van bun vriendschappelijk verkeer te Leiden. In datzelfde jaar bad Clusius bollen gezonden, door Lipsius in bakken buiten bet venster van zijn slaapvertrek uitgeplant.

In de eerste moeilijke Leidse tijd bad Lipsius, wien immers ook de zorgen niet bespaard waren gebleven, Clusius getroost met de woorden: „Waar bet volk heerst of deel heeft aan bet bestuur, is er ook hoogmoed bij de lageren en onwetendheid ten opzichte van zichzelf en van anderen”.

Nu was ook deze oude, vertrouwde vriend heengegaan en had een ledige en ook niet weer te vullen plaats achtergelaten ....

Ook Paludanus koesterde voor Lipsius een grote verering. Want in de brief van 9 Mei 1606 schrijft hij aan Clusius: „Over de dood van Lipsius had ik reeds eerder vernomen. U gelieve mij een of ander exemplaar van zijn brieven te geven, opdat ik een herinnering heb aan zijn naam en zijn hand”.

De zomer bracht daarentegen een verrassing van aan-

Sluiten