Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV. 1609—1630:

CLUSIUS’ BEGRAFENIS EN NALATENSCHAP; DE „CURAE

POSTERIORES” EN VERDERE POSTHUME UITGAVEN

De zevende April 1609 begaf de begrafenisstoet van Carolus Clusius zich van de Pieterskerkgracht op weg naar de Lieve Vrouwenkerk aan de Haarlemmerstraat, waar men den groten geleerde een laatste rustplaats gaf.

Op de middag van diezelfde dag sprak in de aula van het academiegebouw Everardus Vorstius de lijkrede uit. Zijn „Oratio funebris” is vol van betogingen van smart en droefenis om bet verlies, dat de Leidse nniversiteit heeft geleden door bet heengaan van dezen „eerbiedwaardigen grijsaard”.

Maar het vermoeden is wel gewettigd, dat weinigen zullen hebben bemerkt of de oude man, sedert jaren invalide, sedert weken al weer ziekelijk, nog leefde of niet. Natuurlijk was zijn heengaan een verlies voor de universiteit, maar men kan niet zeggen, dat dit overlijden, hetzij onverwacht, hetzij ontijdig was. Weinigen zullen zijn dood als een persoonlijk verlies hebben gevoeld en dienovereenkomstig hebben getreurd.

De enige, die wellicht persoonlijk geïnteresseerd was bij dit sterfgeval, was Gusius’ neef Louis de 1’Escluse, die immers sedert enige jaren bij hem woonde. Op hem kwam natuurlijk de zorg van de begrafenis neer. De universiteit deelde deze met hem, door een som van 150 gulden te geven, „tot vereeringe van syn ooms Caroli Clusii overleden begraeffenisse”.

Aan een der pilaren van de Lieve Vrouwenkerk werd

Carolus Clusius II

Sluiten