Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is waarschijnlijk, dat neef Louis ze zachtjesaan onder de hand aan deze en gene heeft verkocht, om op deze wijze enig materieel voordeel te behalen. Want heel veel anders dan het bovengenoemde kan oom Charles, van wien de kommervolle finantiële positie, ook al was die in de Leidse jaren niet meer zo ernstig als voorheen, bij herhaling is geconstateerd, niet hebben nagelaten.

Tot zover wat betreft de materiële nalatenschap van Clusius. Anders was het gesteld met zijn geestelijke.

Bij zijn overlijden bevonden zich onder Clusius’ nagelaten papieren een schat van aantekeningen, deels bedoeld als aanvullingen op zijn eigen werken en dus voor eventuele herdrukken te gebruiken, deels ook notities, die nieuw waren en met de „Rariorum Plantarum Historia” of met de „Exoticorum libri decem” in geen verband stonden.

De publicatie van dit nagelaten werk nam Raphelengius op zich en zo verschenen in 1611, tegelijk in folio en in quarto uitgave: „Caroli Clusii Atrebatis, Curae Posteriores, seu Plurimarum non ante cognitarum, aut descriptarum stirpium, peregrinorumque aliquot animalium Novae Descriptiones”.

Onder de aanvullingen en verbeteringen op alle eigen werken en op alle vertalingen, door hem uitgegeven, tesamen omvattende de toch weer respectabele hoeveelheid van 100 planten, treffen we wederom drie planten aan uit de Nederlandse flora, die nooit te voren waren beschreven: de Bokjessteenbreek (Saxifraga Hirculus L.), de Aardbeiklaver (TrifoKum fragiferum L.) en de Waterlobelia (Lobelia Dortmanna L).

Verder bezit het werk een Appendix, waarin Raphelengius het een en ander heeft gegeven, wat hij de moeite van het drukken waard vond. Daarin zijn o.a. opgenomen de aantekeningen en de tekening, die Fabri de Peiresc aan Clusius had doen toekomen enige dagen voor diens dood.

Maar dit bijvoegsel is nog rijker. Het bevat een Latijna excerpt, door Clusius vervaardigd uit de scheepsjournalen, die Steven van der Haghen tijdens zijn tochten in de tro-

Carolus Clusius 11 *

Sluiten