Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2

zij1* grootendeels in ons land endemisch. Het zal voorshands niet mogelijk zijn, die geheel uit te roeien. Het zou niet geraden en doorgaans ook niet noodig zijn, tegen deze ziekten met dezelfde maatregelen op te treden als tegen de ziekten van de eerste groep, vooral niet, wanneer in de omgeving van den lijder de noodige maatregelen worden genomen om besmetting van anderen te voorkomen. Heeft de ziekte een gevaarlijk karakter, dan moet er krachtiger worden opgetreden; art. 4 opent daarvoor de mogelijkheid.

De derde groep omvat de overige besmettelijke ziekten. Hiertoe behooren de ziekten, welke veel geringer gevaar voor overbrenging opleveren of waartegen slechts met grondige kennis van plaatselijke toestanden kan worden opgetreden (malaria). Ook moeten tot deze groep gerekend worden ziekten, als mazelen, die wel is waar groot gevaar voor besmetting opleveren, doch waartegen de wetenschap niet afdoende bestrijdingsmiddelen aan de hand heeft kunnen doen.

Uit het bovenstaande volgt, dat het niet geraden zou zijn, de verdeeling der ziekten in de wet vast te leggen. De ontwikkeling van de wetenschap maakt morgen mogelijk wat heden onbereikbaar is. Wetswijziging telkens ware buitengewoon omslachtig.

Bij de bestrijding van de ziekten van de derde groep zullen de plaatselijke besturen de voorlichting hebben van de inspectie of van den gezondheidsdienst. (M. v. T.)

— Zie het op blz. 73 onder de bijlagen dezer wet opgenomen besluit van 1 October 1929, S. 448, alsmede het rondschrijven van den Minister van 30 September 1929 (blz. 70).

Lid 3. Zie de aanteekening op blz. 6.

Art. 2. 1. Iedere geneeskundige, die een geval van een besmettelijke ziekte van groep A vermoedt of vaststelt, geeft onverwijld, in ieder geval binnen 24 uren, daarvan kennis aan den burgemeester van de gemeente, binnen welke de vermoedelijke lijder of de lijder zich bevindt en aan den inspecteur. Hij neemt maatregelen, waardoor de uitbreiding van

Sluiten