Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2

zoodanige ziekte kan worden voorkomen.

2. Iedere geneeskundige, die bij een door hem behandeld persoon een geval van een besmettelijke ziekte van groep B vermoedt, neemt onverwijld maatregelen, waardoor de uitbreiding van zoodanige ziekte kan worden voorkomen. Zoodra hij een geval van een besmettelijke ziekte van groep B heeft vastgesteld, geeft hij binnen 24 uren daarvan kennis aan den burgemeester en aan den inspecteur en neemt hij, voor zoover dat nog niet is geschied, maatregelen om uitbreiding der ziekte te voorkomen.

3. Wij stellen den vorm voor de kennisgevingen, bedoeld in dit artikel, vast.

Zie artikel 37 dezer wet.

— Zie het op blz. 73 onder de bijlagen dezer wet opgenomen besluit van 1 October 1929, S. 448.

— In dit artikel worden onderscheiden: vaststellen en vermoeden van een geval van besmettelijke ziekte. Dat van het vaststellen kennis moet worden gegeven, behoeft geen betoog.

Twijfel zou op het eerste gezicht kunnen rijzen met betrekking tot het vermoeden. Die twijfel wordt opgeheven door de volgende overwegingen. In menig geval heeft een geneeskundige eerst laat voldoende zekerheid omtrent een ziektegeval. Dat kan een gevolg van de omstandigheden zijn, ook van tekort aan ervaring ten opzichte van de ziekte. Wordt te elfder ure een geval vastgesteld, dan kan al veel besmetting verspreid zijn. Wordt van het vermoeden kennis gegeven, dan wordt niet alleen veel vroeger de gelegenheid tot beveiliging geboden zonder dat dit voor den patiënt onaangename gevolgen behoeft te hebben, doch tevens de mogelijkheid geopend om door speciale onderzoekingsmethoden de diagnose vast te stellen. Immers — wordt het vermoeden —evenals het vaststellen — medegedeeld aan den inspecteur of aan den directeur van den gezondheidsdienst, dan kan deze terstond met den behandelenden geneeskundige in overleg treden.

Sluiten