Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 18

Het tweede lid beoogt in de eerste plaats het vervoer van lompen en lijfgoed; maar het moet ook dienen om andere besmette goederen als bijv. met miltvuur besmette scheerkwasten, besmette wol en drgl. te weren of slechts voorwaardelijk toe te laten. (M. v. T.)

Art. 18. De gemeente of de gemeenten, die Wij daarvoor aanwijzen, hebben ten genoegen van Onzen Minister de beschikking over één of meer gelegenheden voor vervoer, afzondering, waarneming, reiniging, ontsmetting en verpleging van personen en voor vervoer, reiniging en ontsmetting van goederen.

Zie art. 18 van het op blz. 73 onder de bijlagen dezer wet opgenomen besluit van 1 October 1929, S. 448, alsmede de op blz. 98 opgenomen beschikking van 9 October 1929 en het rondschrijven van den Minister d.d. 30 September 1929. (blz. 70.)

— Zie de desbetreffende aanteekeningen bij artikel 3.

— Artikel 7 van de wet opent de mogelijkheid, dat een gemeente door Gedeputeerde Staten verplicht wordt een gelegenheid ter afzondering en verpleging van lijders in te richten. Juist waar de behoefte aan die inrichtingen het grootst is — buiten de steden — is deze bepaling een doode letter gebleven. Nu en dan wordt op hoogst pijnlijke wijze het gevolg daarvan gevoeld. De voorziening behoeft niet in de eerste plaats te bestaan in een eigen inrichting. In de eerste plaats moet worden gestreefd naar overeenkomsten met ziekenhuizen, die in de gemeente zelve of in de omgeving zijn. Kan op die wijze een uitweg niet worden gevonden, dan kan worden overwogen een eenvoudige voorziening voor eenige gemeenten gezamenlijk. (M. v. T.)

— Er moge nadrukkelijk op worden gewezen, dat dit artikel niet vordert, dat de gemeenten zelven de daar bedoelde inrichtingen zullen hebben. Zij hebben thans reeds voor reiniging en ontsmetting regelingen met bestaande diensten van het Groene Kruis, het Witte Kruis, hier en daar ook van eene gemeente, die vrij-

Sluiten