Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zooveel mogelijk af doende bestrijding van uitbreiding van besmettelijke ziekten bereikt worden, dan zal in verschillende gevallen afzondering van lijders of vermoedelijke lijders (contacten of verdachten) noodig zijn. Een redelijke gelegenheid daarvoor is voor veel gemeenten niet aanwezig. Het is niet noodig, dat iedere gemeente zelve een inrichting heeft; gemeenten kunnen groepsgewijze samen werken en op verschillende wijze zich de beschikking voor een geval van noodzakelijkheid verzekeren. Op deze wijze zal met de minste kosten het doel bereikt worden.

Ik noodig U uit, hieraan, voor zoover Uw gemeente op dit punt nog niet toegerust is, spoedig Uw zorgen te geven, voorstellen voor te bereiden eventueel en bij voorkeur met andere gemeenten samen te werken ter bereiking van dit doel.

Met betrekking tot de kosten van maatregelen wijs ik U op de artt. 19, 20 en 21 van de wet.

De bevoegdheid tot het binnentreden van woningen enz. is geregeld in de artt. 23 en 24 van de wet.

Ten slotte wijs ik U op de voorschriften betreffende de vaccinatie, de artt. 17, 17a, b, c, d en 18 van de nog geldende wet van 1872, die in art. 35 van de nieuwe wet zijn gehandhaafd met wijziging in art. 36 van die wet; tot 1 Januari 1930 geldt de voorwaarde, dat men ingeënt moet zijn om tot een school te worden toegelaten niet. Of deze bepaling, zooals die is vervat in art. 17 van de wet van 1872, ook na 31 December van dit jaar buiten werking zal blijven, moet nog beslist worden.1

Ik doe een beroep op Uwe medewerking voor een juiste uitvoering van de wet.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, T. J. Verschuur.

Besluit van den 1 sten Octóber 1929, S. 448, ter uitvoering van de Besmettelijke-Ziektenwet (Staatsblad 1928, n°. 265). (Zooals dit besluit is gewijzigd bij dat van 30 Octóber 1933, 8. 556.)

Wij WILHELMINA, enz.;

Op de voordracht van Onzen Minister van

1 Zie noot 2 op blz. 61.

Sluiten