Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Raad van State gehoord (advies van 17 December 1929, n°. 30);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid van 14 Januari 1930, Afd. Volksgezondheid, n°. 2325 H;

Hebben goedgevonden en verstaan:

het navolgende vast te stellen:

Art. 1. In dit besluit wordt verstaan onder : „Onzen Minister” de Minister, belast met de uitvoering van de Besmettelijke-Ziektenwet (Staatsblad 1928, n°. 265),1 en onder: „Hoofdinspecteur” en „Inspecteur” de Hoofdinspecteur en de Inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de handhaving van de wettelijke bepalingen betreffende besmettelijke ziekten; onder: „de wet” de bepalingen van de wet van 4 December 1872 (Staatsblad n°. 134), zooals die zijn gehandhaafd, gewijzigd en aangevuld bij de artikelen 35 en 36 van de Besmettelijke-Ziektenwet (Staatsblad 1928, n°. 265) en bij de wet van 30 December 1929 (Staatsblad n°. 589).

A. Over de inenting.

2. 1. De geneeskundige gaat tot de in¬

enting niet over dan na zich te hebben overtuigd van den gezondheidstoestand van den in te enten persoon.

2. Ducht hij van de inenting bijzonder gevaar voor de gezondheid van den in te enten persoon, dan deelt hij dit aan hem, die den in te enten persoon geleidt of aan dezen zelf mede, en wordt de inenting uitgesteld.

3. De geneeskundige neemt bij de behandeling der entstof en bij de inenting de noodige voorzorgen in acht. Met de bedekking van het entveld door de kleeding wordt na de inenting tenminste 10 minuten gewacht.

4. 1. Bij elke inenting worden met het met entstof bedeelde instrument drie schrapjes van ongeveer een halven centimeter lengte en tenminste twee centimeters van elkaar verwijderd in de huid van het entveld gemaakt.

2. Als goed gevolg van de inenting wordt

1 Zie de desbetreffende aanteekening op blz. 6.

Sluiten