Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heeft zich onlangs in eene gemeente het geval voorgedaan, dat aan goederen, die niet voor reiniging en ontsmetting in aanmerking kwamen vanwege den slechten staat, waarin zij verkeerden, voor de bepaling van de uit te keeren schadeloosstelling een naar verhouding te hooge waarde werd toegekend. Ik meen in verband hiermede te moeten wijzen op de tegenstrijdigheid die gelegen is in het doen vernietigen van goederen, omdat zij niet waard zijn om te worden ontsmet of gereinigd en het tegelijkertijd toekennen van een hooge waarde aan diezelfde goederen bij het bepalen van de aan den eigenaar uit te keeren schadeloosstelling. Het zou naar mijn meening daarom aanbeveling verdienen, dat de aandacht van de burgemeesters op het bovenstaande wordt gevestigd en dat hun wordt verzocht daarmede bij hunne taxatiën rekening te houden en deze niet op te voeren boven hetgeen onder de hierboven bedoelde omstandigheden redelijkerwijze toelaatbaar kan worden geacht.

Ik zoude het op prijs stellen indien U H.E.G. een aanschrijving in bovenstaanden zin aan de burgemeesters zou willen richten. De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, Voor den Minister,

De Secretaris-Oeneraal, A. L. Soholtens.

Rondschrijven van den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken van 28 Maart 1933, aan Heeren Burgemeesters, betreffende de Ziekte van Weil. (C. V.)

Het zal U bekend zijn, dat in ons land en vooral in de laatste jaren een ernstige ziekte is voorgekomen door besmetting veroorzaakt en die den naam draagt van „de Ziekte van Weil”, naar den onderzoeker, die haar voor het eerst nauwkeurig heeft kunnen nagaan.

Het is gebleken, dat zij vooral voorkomt bij menschen die in open water hebben gezwommen, dat vaak in staat blijkt te zijn de besmetting over te dragen.

Het is daarom verklaarbaar, dat de ziekte zich hoofdzakelijk in het zwem- en badseizoen vertoont. De cijfers van de aangegeven ge-

Sluiten