Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den toegepast, dan die, waaraan zij volgens de bepalingen van dit besluit onderworpen hadden kunnen worden.

Art. 13. 1. Brievenmalen, drukwerken, boeken, dagbladen, papieren op bescheiden, enz. (met uitzondering van postpakketten, die voorwerpen bevatten, waarop volgens dit besluit maatregelen van ontsmetting toegepast kunnen worden) worden niet aan maatregelen van ontsmetting onderworpen, doch dadelijk tot het vrije verkeer toegelaten.

2. Zij, die na aankomst van het schip uitsluitend deel hebben gehad aan het afgeven en innemen van de in het eerste lid genoemde stukken, zonder daarbij gemeenschap met het schip te hebben gehad, worden aan geen enkelen maatregel onderworpen.

Art. 14. Ontsmetting en reiniging kan alleen worden toegepast op goederen en voorwerpen, welke als besmet of verontreinigd worden beschouwd. In- en doorvoer van koopwaren en bagage kan op grond van besmettingsgevaar niet verboden worden.

Art. 15. 1. Over zee aangevoerde goederen mogen niet in de haven worden aangehouden. Evenwel kunnen stortgoed en goederen in gebrekkige verpakking, waarin ratten of vlooien verscholen kunnen zijn, indien aan boord geen verdelging van ratten en vlooien kan plaats hebben, gedurende eene tijdruimte van ten hoogste veertien dagen aan den wal of in lichters worden opgeslagen, om daar te worden onderworpen aan de maatregelen, die ter voorkoming van besmetting noodig geacht worden, waarna zij tot het vrije verkeer worden toegelaten.

2. De toepassing van dezen laatsten maatregel mag noch oponthoud van het schip, noch buitengewone onkosten veroorzaken ten gevolge van het ontbreken van voldoende opslagplaatsen in de havens.

Art. 16. 1. De toepassing van maatregelen van ontsmetting, met inbegrip van die tot het verdelgen van ongedierte, van besmette schepen en goederen geschiedt volgens de regelen, door Onzen Minister van Sociale Zaken vast te stellen.1

1 Deze regelen zijn vastgesteld bij de op blz. 199 opgenomen beschikking van 1 September 1933.

Sluiten