Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3. Voorschriften omtrent het ontsmetten van gebouwen of vertrekken en van vaar- of voertuigen.

Aan eene ontsmetting van alle voorwerpen afzonderlijk gaat zooveel mogelijk vooraf eene ontsmetting van het vertrek, waarin zich deze voorwerpen bevinden, door verstuiving of verdamping van eene oplossing van formaldehyde.

Door de behandeling met formaldehyde zijn slechts de wanden, het plafond, de vrije, gladde vlakten der meubels als ontsmet te beschouwen, voor zoover zij geen reten of voegen vertoonen of zichtbaar vervuild zijn. Al het overige moet volgens de reeds gegeven voorschriften nog afzonderlijk worden ontsmet.

Is een tapijt aanwezig, dan wordt dit verwijderd en ontsmet. Den vloer wascht men terdege met sublimaatoplossing of met kresolzeepwater. Aarden vloeren worden met een mengsel van één deel kalkmelk en vijf deelen water o vergoten.

Is geen ontsmetting met formaldehyde voorafgegaan, dan moeten ook de wanden, het plafond en de vrije, gladde oppervlakten der meubels met sublimaatoplossing of kresolzeepwater worden behandeld op de wijze als voor den vloer is aangegeven, behoudens gekalkte muren en zolderingen, die ontsmet worden door ze te bestrijken met kalkmelk. Geteerde wanden of voorwerpen kunnen ook worden ontsmet door ze opnieuw te teren.

Op gelijke wijze als met vertrekken en huizen wordt gehandeld met kajuiten en andere scheepsruim ten, voertuigen en draagbaren, waarin een lijder aan eene besmettelijke ziekte of het nog niet gekiste lijk van den daaraan overledene is geweest. Voer- en vaartuigen, alsmede kisten en manden, gebruikt tot het vervoer van besmette goederen, worden, na elk zoodanig vervoer, van binnen met sublimaatoplossing of kresolzeepwater goed afgesponst en daarna goed gereinigd.

Gevulde zittingen worden met sublimaatoplossing of kresolzeepwater besproeid; lederen zittingen worden daarmede afgesponst.

Sluiten