Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De artikelen 3 tot en met 11 zijn in dit geval van overeenkomstige toepassing.

3. Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen bepaalt, te rekenen van het tijdstip van het in werking treden van deze wet, een termijn, na afloop waarvan allen die dan hetzij in vasten dienst verbonden zijn, hetzij in tijdelijken dienst werkzaam zijn aan een inrichting van onderwijs, in het bezit moeten zijn van een verklaring, als in het eerste lid van artikel 2 bedoeld; deze verklaring mag niet ouder zijn dan de termijn.

4. Hij, die na afloop van den in het derde lid bedoelden termijn niet in het bezit is van de vereischte verklaring, mag niet tot de inrichting van onderwijs worden toegelaten, alvorens in het bezit van de verklaring te zijn.

5. De artikelen ö tot en met 11 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot degenen, voor wie ingevolge het derde lid het bezit van de bedoelde verklaring vereischt is.

6. Het tweede lid van artikel 2 is niet van toepassing op degenen, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet aan een inrichting van onderwijs in tijdelijken dienst werkzaam zijn, zoolang de werkzaamheid aan die instelling duurt, onverminderd het bepaalde in het eerste en in het derde lid.

13. In een school toegelaten kweekelingen, als bedoeld in artikel 191 van de Lageronderwijswet 1920, worden voor de toepassing van deze wet geacht aan die school in tijdelijken dienst werkzaam te zijn.

14. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 Januari 1935.

Lasten en bevelen, enz.;

Gegeven te ’s-Gravenhage, den 7den December 1934.

WILHELMINA.

De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,

MARC HA NT.

De Minister van Sociale Zaken,

J. R. Slotemaker de Bruïne.

(Uitgeg. 21 December 1934.)

S. en J. n°. 26, 3e druk

8

Sluiten