Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 56. Luchtvaartuigen mogen, behalve in de in dit Verdrag uitdrukkelijk bepaalde gevallen, niet worden opgehouden om redenen van sanitairen aard.

Indien aan boord van een luchtvaartuig een lijder aan pest, cholera, gele koorts, vlektyphus of pokken is geweest, wordt het niet langer vastgehouden dan den tijd, die strikt noodig is om het de voorbehoedende maatregelen te doen ondergaan, die er voor elk in dit Verdrag voorzien geval op toegepast mogen worden.

Art. 57. Ieder luchtvaartuig, dat zich niet wil onderwerpen aan de verplichtingen, die het uit kracht van de bepalingen van dit Verdrag door het gezag van het luchtvaartterrein worden opgelegd, is, behoudens de voorschriften van Hoofdstuk II van dit Verdrag en bepaaldelijk van artikel 47 daarvan, vrij, zijn reis voort te zetten. Het mag zich echter op een ander luchtvaartterrein in hetzelfde Land niet ophouden anders diln om te proviandeeren.

Het mag zijn goederen lossen, op voorwaarde, dat het luohtvaartuig wordt afgezonderd en de goederen zoo noodig worden onderworpen aan de maatregelen, die zijn voorzien in artikel 10 van dit Verdrag.

Aan het luchtvaartuig zal eveneens worden toegestaan de reizigers, die het verzoek er toe doen, te ontschepen, mits deze zich onderwerpen aan de maatregelen, die het met de gezondheidszorg belast gezag voorschrijft.

Het mag, mits in afzondering blijvende, ook brandstof, reservedeelen, levensmiddelen en water innemen.

VIERDE DEEL.

Slotbepalingen.

Art. 58. Twee of meer der Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen op den grondslag der beginselen van dit Verdrag onderling bijzondere overeenkomsten sluiten, die afzonderlijke punten van de regeling der luchtvaart raken, inzonderheid wat betreft de toepassing op haar grondgebieden van Hoofdstuk II van het Derde Deel.

Van deze overeenkomsten moet, evenals van die, bedoeld in artikel 46, zoodra zij in wer-

Sluiten