Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S. & J. N°. 26, 3e druk.

ZESDE AANVULLING

DER

wetten houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten.

RONDSCHRIJVEN van den Minister van Sociale Zaken, van 18 Mei 1938, n°. 914 H/Dossier 26 Afd. Volksgezondheid, aan de gemeentebesturen, betreffende vaccinatie. (B. S. 1938, n°. 144).

De Minister van Binnenlandsche Zaken, onder wiens Departement de afdeeling Volksgezondheid destijds ressorteerde, richtte in zijn circulaire van 29 Maart 1933, n°. 504 H, afdeeling Volksgezondheid, tot U het verzoek om bij de driemaandelijksche kennisgeving van den tijd, waarop en de plaats waar ingeënt zal worden, een mededeel ing te voegen omtrent den meest geschikten leeftijd, waarop de kinderen kunnen worden ingeënt en omtrent den meest geschikten tijd, waarop de inenting kan geschieden.

Het in die circulaire ingenomen standpunt, dat vaccinatie in Mei en December de voorkeur verdient, aangezien de kans op het ontstaan van encephalitis in die maanden geringer is dan in de andere maanden, is echter langzamerhand verlaten.

Verder heeft de meening, dat slechts op den leeftijd tusschen 3 en 9 maanden het minste gevaar voor aandoeningen van het centrale zenuwstelsel na vaccinatie bestaat, zich in zooverre gewijzigd, dat thans de leeftijd tusschen 3 maanden en 2 jaar als de meest geschikte voor het ondergaan van de inenting wordt beschouwd.

In verband met deze gewijzigde opvattingen wordt bovenbedoelde circulaire hierbij ingetrokken en behoeft derhalve in den vervolge met den inhoud geen rekening meer te worden gehouden.

De Minister van Sociale Zaken,

C. P. M. R o m m e.

Sluiten