Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S. & j. N°. 26, 3e druk.

NEGENDE AANVULLING

DER

wetten houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten.

BESLUIT van 12 April 1940, S. 844, tot uitvoering der Inentingswet 1939.

Wij WILHELMINA, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Sociale Zaken van 8 Maart 1940, N°. 621 H/Doss. 26, Afdeeling Volksgezondheid;

Gelet op de Inentingswet 1939;

Den Raad van State gehoord (advies van 2 April 1940, N°. 29);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Sociale Zaken van 9 April 1940, N°. 881 H/Dossier 26, Afdeeling Volksgezondheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen:

Art. 1. Dit besluit verstaat onder „de Wet” de Wet van 22 December 1939, Staatsblad 805, tot vaststelling van nieuwe bepalingen betreffende de inenting tegen pokken (Inentingswet 1939);

„Onzen Minister” den Minister, belast met de uitvoering van de Inentingswet 1939.

2. De geneeskundige gaat tot de inenting slechts over, indien hij daarvan geen gevaar ducht voor de gezondheid van den in te enten persoon of van personen in diens omgeving. Acht hij zoodanig gevaar aanwezig, dan deelt hij dit aan hem, die den in te enten persoon geleidt of aan dezen zelf mede, en wordt de inenting uitgesteld.

3. Onze Minister stelt nadere regelen betreffende de inenting en de behandeling der entstof.

4. 1. Voor de inenting mag slechts stof worden gebezigd, af geleverd door een entstofinrichting of handelaar in entstoffen, die daarvoor de vergunning van Onzen Minister heeft verkregen.

2. De prijs per hoeveelheid voor één inenting benoodigde entstof bedraagt niet meer dan het door Onzen Minister daarvoor vastgestelde bedrag.

5- 1. Om in'aanmerking te komen voor

het verkrijgen "Van een vergunning tot het afleveren van entstof tegen de pokken, als

Sluiten