Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S. & J. N». 26, 3e druk.

TIENDE AANVULLING

DER

wetten houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten.

BESCHIKKING van den Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Sociale Zaken van 27 Juni 1940, N°. 1364 H/doss. 26, Afdeeling Volksgezondheid, ter uitvoering van de Inentingswet 1939. (Ned. Stct. 1940, n°. 122).

De Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Sociale Zaken;

Gelet op artikel 3 van het Koninklijk besluit van 12 April 1940, Staatsblad n°. 844, tot uitvoering van de Inentingswet 1939; Heeft goedgevonden:

de regelen, volgens welke de inenting en de behandeling der entstof moet geschieden, vast te stellen als volgt:

Art. 1. 1. De geneeskundige neemt bij de

behandeling der entstof en bij de inenting de noodige voorzorgen in acht.

2. Hij draagt in het bijzonder zorg voor de reiniging, voor zoover noodig, van het entveld — welke bij voorkeur niet met alcohol moet geschieden —, alsook voor de ontsmetting van het instrument, waarmede de inenting wordt verricht.

Art. 2. 1. Bij de inenting worden drie

schrapjes, van ongeveer een hal ven centimeter lengte en ten minste twee centimeter van elkander verwijderd, in de huid van het entveld gemaakt.

2. Als goed gevolg van de inenting wordt beschouwd, de opkomst van ten minste één volledig ontwikkelde pokpuist.

Art. 3. De geneeskundige overtuigt zich in elk geval tusschen den tienden en den dertienden dag na dien der inenting van het resultaat er van en geeft, bij voorkeur terstond na dit onderzoek, een verklaring af, als bedoeld in artikel 9 van het Koninklijk besluit van 12 April 1940, Staatsblad n°. 844;

Bepaalt, dat deze beschikking in de Nederlandsche Staatscourant zal worden geplaatst en onmiddellijk in werking zal treden.

’s-Gravenhage, 27 Juni 1940.

De Secretaris-Generaal voomoemd, A. L. Scholtens.

Sluiten