Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(2) Mede wordt een schriftelijke verklaring afgegeven aan hem, die tegenover een vanwege de gemeente aangewezen geneeskundige voor zich zelf of voor het kind, waarover hij de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent, op grond van geneeskundige of godsdienstige motieven overwegende bezwaren tegen de inenting inbrengt.

(3) De geneeskundige doet uiterlijk binnen acht dagen na afloop van den in artikel 1, lid 1, bedoelden termijn aan den burgemeester een opgave toekomen van de door hem ingeënte personen en van de personen, aan wie een verklaring, als bedoeld in lid 2, is uitgereikt.

Artikel 6. (1) Hij, die na afloop van

den termijn, bedoeld in artikel 1, lid 1, na daartoe door of vanwege den burgemeester gedane vordering niet overlegt een te zijnen name of ten name van het kind, waarover hij de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent, gestelde verklaring, als bedoeld in de artikelen 1 of 5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste 100 gulden. Niet strafbaar is hij, die aantoont, dat het bepaalde in artikel x, lid 4, onder 3, van toepassing is of dat hij een geldige reden van verhindering heeft.

(2) Indien een minderjarige staat onder voogdij van een vereeniging, stichting of instelling van weldadigheid, geldt het in dit artikel bepaalde voor de bestuurders van die vereeniging, stichting of instelling.

(3) De in dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 7. Dit besluit treedt in werking op den dag zijner afkondiging.

’s-Gravenhage, 25 Juli 1940.

De Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken, A. L. Scholtens.

CIRCULAIRE van den Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Binnenlandsche Zaken, van 9 Augustus 1940, n°. 19426, afd. B.B., aan de gemeentebesturen.

Hierbij doe ik U toekomen mijn beschikking d.d. heden, n°. 19426, afd. B.B., met bijlagen, betreffende de administratieve uitvoering van de Inentingswet 1939.

Ik merk op, dat de oplossing, welke aan de administratieve regeling is gegeven, het gebruik van afzonderlijke registers (vast- of losbladig of kaarten) overbodig maakt, aangezien alle werkzaamheden aan de hand van de persoonskaart verricht kunnen worden. Het komt mij voor, dat de daaruit voortvloeiende materiaal- en arbeidsbesparing, vooral in dezen tijd, een belangrijk voordeel mag heeten.

Sluiten