Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Zoodra een akte van verschijning of van met-verschijning, als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 5 der Inentmgswet 1939, is opgemaakt, wordt de letter c doorgehaald.

7. Bij overlegging van de verklaring, bedoeld in artikel 3 der Inentingswet 1939 wordt de letter e doorgehaald.

8. De persoonskaarten van de op of na 1 November 1939 geboren kinderen worden behoudens het bepaalde bij 9, uiterlijk binnen

na de dagteekening van deze beschikking voorzien van de bij 1 bedoelde aanduiding.

9. Van een op of na 1 November 1939 geboren kind, mag de persoonskaart niet worden verzonden, alvorens de bij 1 bedoelde aanduiding in vak 23) is aangebracht en, overeenkomstig het bepaalde bij 3 tot en met 7, zooveel mogelijk is bijgewerkt.

•l?' l I"dien.het kind en de ouder of voogd jle* ,,~eiden m het bevolkingsregister van dezelfde gemeente zijn opgenomen, doet de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister het kind is opgenomen, zoodra het bericht, bedoeld in artikel 2 der Inentingswet 1939, is verzonden, daarvan mededeeling aan den burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de ouder of voogd is opgenomen. De mededeeling geschiedt met een formulier, model ia, dat als bijlage bij deze beschikking is gevoegd • 1I- ,, e burgemeester van de gemeente, m welker bevolkingsregister de ouder of voogd is opgenomen, zendt, zoodra aan het bepaalde in de artikelen 3, 4 en/of 5 der Inentingswet 1939 is voldaan, deel II van J L0 bedoelde formulier, vergezeld van de bijbehoorende bescheiden aan den burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister het kind opgenomen is.

. I,Z' Hoofd van de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters zendt vóór den achtsten yan eiken maand aan den burgemeester van s-Gravenhage een opgave van de in de afgeloopen maand in het centrale bevolkingsregister opgenomen kinderen, op wier persoonskaarten een van de letters a, c, d of e van de bij 1 bedoelde aanduiding nog niet is doorgehaald.

De burgemeester van ’s-Gravenhage zorgt, dat het Hoofd van de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters onverwijld kennis krijgt van de doorhalingen, welke in de bij 1 bedoelde aanduiding op de persoonskaart van een in het centrale bevolkingsregister opgenomen kind moeten worden aangebracht.

Mij bekend,

De Secretaris-Generaal

van het Departement van Binnenlandsche Zaken,

L. L. Franx, l. S.-G.

Sluiten