Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet of niet voldoende naleeft en gevaar voor besmetting aanwezig is, den inspecteur, onder vermelding van de noodige gegevens, hiervan in kennis te stellen.

(2) De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt eveneens, indien op grond van gebleken feiten of .omstandigheden kan worden aangenomen, dat de patiënt gevaar oplevert voor verbreiding van geslachtsziekten.

Artikel 7.

(1) Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden wordt, voor zoover op grond van andere bepalingen geen hoogere straf is verbeurd, gestraft:

ï) hij die weet of blijkens de omstandigheden veronderstellen moet, dat hij lijdt aan een geslachtsziekte, die gevaar voor besmetting oplevert, en desalniettemin vleeschelijke gemeenschap heeft;

2) hij die aan eenige andere krachtens deze verordening bestaande verplichting niet voldoet of die opzettelijk of door zijn schuld bewerkt of er toe bij draagt, dat niet in overeenstemming met een dusdanige verplichting gehandeld wordt;

3) hij die middelen of voorwerpen tot zelfbehandeling van geslachtsziekten aanbiedt of op andere wijze in het verkeer brengt of aanwijst, waar deze verkrijgbaar zijn.

(2) De in het eerste lid genoemde strafbare feiten worden beschouwd als misdrijven. In het geval, bedoeld in lid 1, onder 1, vindt strafvervolging tegen een gehuwd persoon, voor zoover deze in echt verder vleeschelijke gemeenschap heeft, slechts op klachte van de in gevaar gebrachte echtgenoot plaats.

Artikel 8.

Met de opsporing van de bij deze verordening strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie en de inspecteurs.

Artikel 9.

Deze verordening treedt in werking op den dag na dien harer afkondiging.

’s- Gravenhage, 1 October 1940.

De waarnemend Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken,

R. A. Verwey.

(Uitéeg. 5 October 1940.)

Sluiten