is toegevoegd aan je favorieten.

Spel van vier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zich. ,,'t Is een misverstand; ik dacht, dat u voor mijn plezier weer naar boven ging."

„O nee, nee mevrouw." Kallens werd rood. Een schat was ze! Bijna waarschuwde hij haar voor de onweersstemming boven, maar hield 't nog bijtijds in. Boven op de gang nam hij met een buiging afscheid, vloekte 't volgend oogenblik een arbeider van „Expeditie" uit, die hem bijna raakte met zijn karretje.

De man haalde zijn schouders op. „Die is ook al bezeten vandaag!" zei hij tot een kameraad, die de pakzolder uitkwam; meteen gaf hij een jongen, met pakken beladen, die voor 't karretje uitweek, een snauw. „Sta niet te suffen, snotneus! Vooruit, 't is zoo sluiten!"

Noes luisterde een oogenblik aan de deur van 't privékantoor. 't Was stil daarbinnen, 't Roode lampje buiten wees op: „niet storen". Voor haar gold dit gebod niet; zonder kloppen duwde zij de deur open, glipte vlug naar binnen.

In Jt groote, pompeus gemeubelde kantoor, alles donker mahonie met verzadigd groen, zat Leo van Telten in een clubfauteuil, een sigaret in zijn hand. Zijn lichaam, licht gebouwd, jeugdig slank, ging bijna verloren in de diepe stoel; vreemd stond op dat lichaam de hoekige bleeke kop met de groote bewegelijke mond onder de sterke rechte neus; grijze oogen, donker door de zwarte wimpers en wenkbrauwen, blonken van driftig leven; boven het licht gerimpelde voorhoofd was 't bruine haar zorgvuldig in de vereischte gladheid gehouden.

„Noesje, kind! wat kom je doen?" De vraag borg ongeduld, meer dan verwondering. Zonder op te staan stak hij zijn hand naar Noes uit, een lange, sterke hand, te