is toegevoegd aan je favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik ben wakker, vader, ik hoorde u praten.

— Ge vergist je, er is niemand waar ik mee gepraat zou hebben.

Nu doet hij maar iets. Hij pakt den jongen bij het haar, hij rukt het hoofd heen en weer. Hij slaat de dekens terug, zoo groot als de jongen is ligt hij daar onbedekt in zijn nachtkleeren. Het wordt een worsteling, een gevecht, dat de jongen dadelijk verliest tegen die sterke armen en handen van zijn vader. Twee handen omsluiten ten laatste de polsen van den jongen. Ze nemen vervolgens het hoofd, omklemmen het zóó krachtig, dat het gezicht in de lengte vervormd wordt en versmalt. In het vage schemerlicht blijven de oogen van den jongen den vader aankijken.

— Heb jij veel van je moeder gehouden?

— Ja vader.

— Denk je dikwijls aan haar?

— Ja vader.

— Ga je wel eens naar den kerkhof?

Geen antwoord.

— Je bent toch goed opgevoed. Ga je nooit eens bidden bij het graf van je moeder?

De jongen blijft zwijgend naar zijn vader zien.

— Maar ga je dan niet eens naar haar graf?

— Ja vader.

— Ga slapen. God zegen je. Zeg me den wensch terug.