is toegevoegd aan je favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschenen, de anderen hadden hem niet kunnen wekken.

Geprikkeld nam hij een steen op, en slingerde deze met een vloek en scheldend den zwarte naar z'n hoofd. Met 'n drogen slag kwam de steen tegen den keiharden kop van den neger, die op 't zelfde oogenblik als een bal 't latwerk afrolde, en als levenloos op den grond plofte. Hij bleef doodstil liggen.

Verlamd bleef Monsen staan.

„Zijn nek gebroken!" — schoot 't door zijn hoofd. De moord zelf liet hem koud. 't Was de last. Er zou rondom hem gebaggerd worden; 't welkome been, dat nu en dan de negrophielen kon toegeworpen worden.

Zijn hersens werkten krampachtig, en vonden opgelucht een uitweg. Een werk-ongeval. 't Zou de overheid ter oore komen; hij zou zelf de eerste stap doen, en een rapport indienen. Een rapport was in ieder geval geloofwaardig. Wat er later aan praatjes zou uitdruppelen was negerfantasie of kwaadwillige laster. Zijn hersens schermden, en stootten iedere bedenking neer.

Volkomen kalm trad Monsen op den verongelukte toe, en liet hem optillen.

Op 't hooren van zijn stem, opende de zwarte zijn oogen. Monsen jubelde inwendig. Wanneer de man slechts de vriendelijkheid kon opbrengen om nog 'n paar dagen te blijven leven, dan was 'n rapport zelfs overbodig. Er waren zooveel ziekten, waaraan men met 'n beetje handigheid een neger aan kon laten sterven.