is toegevoegd aan je favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of hij dan zooveel aan meisjes dacht, informeerde ik op mijn beurt. Broeder sloeg rood aan in zijn breed gezicht en begon over moeilijkheden, die iedere jongeman heeft, zelfs de heiligste en dat de hemel verdiend werd door zelfbedwang en de sacramenteele biecht.

„Men vindt den hemel niet, als men de hel niet kent," beet ik van mij af en ik stond verveeld op en liep de kamer uit; broeder Aloysius bleef korzelig en verongelijkt zitten met zijn halve sigaar in de paffige hand en achter zijn dampende koffie en even later hoorde ik hem ontevreden mopperen tegen madame, tot het gesprek in een intiem fluisteren dempte.

*

De omgang met de andere jongens van het stadje bood ook zijn moeilijkheden. Het was op de een of andere manier uitgelekt dat ik gedood had, en nu was ik een geteekende. Er werd gefluisterd als ik binnen een kring van jongens kwam en al had madame mij voorzien van een hagelwit boordje en al had ik keurige handschoenen aan, men meed mij en naar ik spoedig aanvoelde, men was bang voor me.

Toen ik eens een jongen schertsend bij den nek greep, gilde hij zoo ontzettend dat ik verbaasd hem losliet, doodsangst stond in zijn oogen.

Het schiep een vesting om mij, een cirkel van ontzag, dat mij een zeker machtsgevoel gaf en een wat trieste minachting. Daarom was het voor mij zoo goed, dat ik in kennis kwam met een anderen jongen, die niet bang voor mij was en zich niet intimideeren liet. Hij heette Karei van Amerongen, een Zeeuwsche knaap, donker haar bij niet geheel grijze oogen, kort en stevig. Als ik hem gelastte op een jongenspartijtje een stoel voor mij te halen, zeide hij prompt: „Barst, doe 't zelf." De