is toegevoegd aan je favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet gevraagd wordt, maar naar mogelijkheid geholpen."

Diep rood geworden, trillend drukte ik zijn trouwe mannenhand.

,,Ja oom, ik vergeet het niet en vergeeft U mij, U en Coba, maar oom, van alle gevaren is geen zoo groot als de trieste suffe dressuur."

*

„Zoo moet je het doen!"

Krelis had het meisje weerloos geknepen in de tang zijner armen, en hevig gezoend den half open geschrokken mond.

„Nu jij!"

Breed en hard lachte de knecht, het stuk onbehouwen klei op klompen en naast hem was het meisje, wat rood en voorovergebogen en toch lachte ook zij en haar protest was niet echt en miste alle waarde.

Maar Paul zag een schoone vaas in scherven vallen, een klok luidde maar berstte, een viool zong en nu sprongen de snaren.

Daar viel niet bij te lachen. De jongen ging en voelde in zijn rug de lach verkoelen tot bevreemding en klimmende ergernis. Willig liet zij zich zoenen door Krelis, die het zoo goed kón.

Hij ging.

Wegen, weiden, huizen, wind en kou. Het waren alle bekenden, en toch was hij vervreemd. Verweekeling van kachel en stoel, beschuttende muren, lauw-warm bed. Hij was de ruwe vrienden van buiten niet waardig meer en hij ontweek de schuwe zwervers met wie hij niets gemeen meer had.

In de stad wachtte een man met rosbruinen baard.

„Hij komt terug, lieve Coba, 't was de eenigste manier om hem tot ons te doen terugkeeren."

De biecht vau een bezetene ;