is toegevoegd aan je favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Paul, Paul, écoute, Paul!"

Het was Henriette.

Haar oogen schitterden in een bleek en mager gezichtje, haar mond was ongeverfd, haar fijne vingers klampten zich om het portier. Rad vertelde zij mij, wat alleen de chauffeur als geboren Parijzenaar nog kon afluisteren, dat zij dagen mij gezocht had, dat zij André niet meer gezien had en niet meer zou zien en waar ik nu woonde, zij zou komen en zij zou blijven als ik wou . . . en of ik kwaad was en waarom dan toch en het leven was zoo triste zonder haar echten lieven ami.

De chauffeur lachte spottend, maar pinkte mij toe, hij gunde mij graag den tijd voor het afspraakje en maakte in een adempauze Henriette een compliment, waarvoor zij dankte in een haastig lachje.

Zij zou mij bezoeken.

De wagen zette aan, ging links langs een tegenligger met de Parijsche zelfverzekerde nonchalance; onder het gezelschap was een gegêneerd zwijgen gevallen en zelfs de Goudsche juffer had haar nieuwsgierigheid verloren. Ik greep de megafoon en ik tetterde er door, krachtig en verjongd:

„Mesdames, messieurs, voulez voir a gauche ..."

Het zuurtje heb ik niet gehad . . .

*

Zij is gekomen, de kleine Henriette.

Zij is adembenomen de hooge steile trap opgeklommen en tikte aan mijn deur. Ik deed open en wij stonden weer voor elkander, wij arme eenzamen. Wij hebben zacht en teeder elkaar omhelsd en zij had een heerlijk japonnetje aan en de welverzorgdheid en de maar even opmaak volgens den fijnen smaak van haar Fransche ras.

Zij had mij gemist, gemist als kameraad en als een