is toegevoegd aan je favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar toch was het daarboven erg koud en ik had niet eens een warm baadje om aan te trekken. Je armen zijn weer langer geworden," zegt hij, de bril naar de punt van zijn breeden, platten neus verhuizend. „Kom overmorgen maar terug, dan zal alles misschien klaar zijn."

„Njoewoen, Mas Djait," zegt Timboel beleefd. Hij is blij, dat Djait de kleeren toch wil maken voor negentig cent. Nu heeft hij nog één dubbeltje voor zichzelf. Hij is slim geweest!

En terwijl hij, in zijn vuistje lachend, Djait's erf afloopt, hoort hij weer de stem van de beo: „Slamat djalan, Toewan! Tabeh, Toewan!"

„Zou hij heusch weten, dat ik op reis ga?" denkt Timboel.

Als eindelijk de dag van het vertrek is aangebroken, is Timboel al wakker, lang voor de hanen kraaien. In het schemerduister van het nog koele morgenuur plonst en plast hij in de kali en maakt zich mooi. Zijn moeder brengt nog een offer aan den dorpsgeest om een goed verloop van de reis en een goed verblijf voor de achterblijvenden af te smeeken. Dan pakt ze met een gerust hart de weinige kleeren, wat extra sinhkalk en blaadjes in het ijzeren koffertje en doet haar mooie oorknoppen aan. Een flesch koude koffie, een kopje zonder oor, haar sirih-