is toegevoegd aan je favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

graaft zich in; volgend jaar staat er een kleuterboompje met twee schermpjes. Al de kastanjes en de eschdoorns en de eiken dezer tuinen zijn verwant; hun zaad woont, naar ’t gevalt, nu in dezen, dan in genen tuin, gelijk de families van de stad, naar 't gevalt, in deze of gene huizen wonen. Zij vormen, als deze, gesloten geslachten, geen vreemd zaad kiemt hier ooit.

Alles in de doode stad is reeds door anderen gebruikt, alles is erfgoed, uit andere handen ontvangen. En veel is belast met vloek. Over eiken drempel zijn voeten voor ’t laatst gegaan, welke een mensch kort of lang nadien samenvoegde op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed werd. Een huwelijksleven is begonnen en gesleten in een somber straatje; de bakker-op-den-hoek heeft een onmetelijk lang brood den monden toegeschoven, totdat de maalsters stilstonden, omdat het echtpaar stierf. Zij hadden zoo goed als nooit andere takken gezien dan die, welke de bakkersknechts aan bossen in den oven staken; zij waren te zeer gebonden aan huis en nering.

— Een gracht loopt de geheele stad door; wonderlijk, dat aan deze kade nog schepen meeren, dat een schipper vracht neemt in de werkelijkheid van zijn dagelijksch bedrijf en er boven deze diepten een loopplank ligt, gelijk aan andere. Maar op 't schip bevindt men zich hoog, en in een gewone wereld; indien men eens in de laagte kon gaan roeien met een klein bootje, dan zou men wat gewaar worden. De steenen van den kademuur zijn er met mos bekorst en de lijn van het spiegelpeil is van slijm, als een slakkenspoor. Het grachtwater is groen en dof; oud, ziek stadswater, niemand doope de hand erin...

Elke pui en elk steegje heeft een geschiedenis. De burgers, in wier levenstijd zij is voorgevallen, dragen er kennis van. Doch wanneer van een menschengeslacht de laatsten zijn gestorven, gaat ook het verhaal teloor. Jongeneel zijn grootje, of Wouterbaas de timmerman neemt het rechte daarvan mee in 't graf. Doch die na hen komen, hebben in hun jeugd iets opgevangen, de ontzetting bleef hen bij van een trap naar de gracht, een sindsdien dichtgemetseld raam, een sprong ten doode. En wat men als