is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Batten non-stop-solo-vlucht Zuidelijke Atlantische Oceaan. Abessijnsche oproep tot de wereld. Wereld, waar zijt Gij? Wereld . . .?" Taco drinkt zijn Bols uit, en neemt nog een Bols. Het oud-wijfje mompelt, fluistert, zwijgt. De gezichten van de mannen aan de leestafel zijn goedig en vaag. Taco ziet de bleek-groene ster weer bij de torenspits van het Baptistenkerkje. Eenzaam is de lucht daar, eenzaam de ster, eenzaam de torenspits. Zoo heeft hij als kind ook eenmaal een avondster gezien. Op zoo'n avond is hij bij zijn Moeder gekomen. „Moeder, ik wil bij je wezen." Het was donker in de straat. Er knarste iets. De kamer was haast zwart. Tjark, zijn groote broer, zou nooit meer terugkomen, overdag kon het — soms, nu niet ... Ze hadden Tjark weggebracht in een kist . . . Hij wou op zijn Moeder's schoot zitten, wou bij haar schort opklimmen. Zijn Moeder droeg een glanzend zwart schort. Dat is luster geweest. Nog altijd draagt ze lusteren schorten ... Ze duwde hem van haar knieën af. „Kom-aan, een fiksche jongen wezen, je bent toch geen meisje, jij . . .?" Ze sprak Hollandsch, maar ze had een harde Friesche stem. Nou schrijnt het nog in hem, om die stem tóen. En zijn Vader zat in de werkplaats achter de groote klokkenwinkel. Wingerd groeide aan het raam. Hij hanteerde behoedzaam allerlei kleine fijne dingen. Hij gluurde door een klein dik glaasje dat hij vlak voor zijn eene oog hield. De klokken tikten om hem heen. Er lagen gouden en zilveren horloges, radertjes bewogen in de open horloge-kasten, radertjes werden stil. Vader tastte er naar met een lang dun grijp-ding — een pincet. En dan keek hij opeens over zijn bril heen naar hem. „Ga