is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander?" Hij ademt zwaar, dat is van het loopen. Zijn voeten bewegen gelijkmatig, potscherven knapperen onder zijn voeten, grindsteentjes, soms zijn er boomwortels. Hij struikelt en stapt verder. „Safe ben je nooit meer, bij Crijna. Je zal er op een keer heengaan en Wedzieg zit daar. Ja, wat moet dat dan? Wedzieg brengt boeken?, en jij?" Hij stapt of hij kuilen in de aarde wil stampen. „Ze had die luiken toch niet open voor Wedzieg? Gödome, dat kan ook nog! Nee, ze schrok toch niet toen ze je zag?" Telkens komt zoo hetzelfde terug. Op laatst blijven er nog maar twee dingen over in zijn gedachten: Crijna's open raamluiken en de mogelijkheid van Crijna's getuigenis . . . Zóo moe is hij nu. En hij loopt wat voorover, en duikt huiverend in de kraag van zijn jas. De nachtkou wordt soms tusschen de sparretoppen door als met emmers vol over hem uitgestort. Die sparretoppen en de lange magere stammen kan hij nu onderscheiden, ze maken zich los uit het donker, ze zijn van een ander zwart dan het zwart van de nacht. Hij ziet het duidelijk, zijn oogen wennen aan de duisternis. Nu komt die eene gedachte weer in hem op. „Dat die raamluiken open stonden, dat was een liefdesverklaring — een liefdesverklaring voor jou." Even later houdt die andere gedachte hem bezig: „Je kunt het altijd nog ontkennen, als die biecht ter sprake komt, je kan er desnoods op zweren . . ." Hij tuurt voor zich uit en om zich heen: overal duisternis, sparreschimmen, nachtkoelte en vaag geruisch. Hij loopt nog maar werktuiglijk met die zware soldaten-pas en van lieverlee is het of hij al-loopend inslaapt.