is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet hij Crijna al met een bril, een breikous en een stichtelijk boek bij het vuur zitten. „Aan godsdienst is toch altijd wat vervelends." Het is meteen of Crijna zich met haar jade-oorbellen en haar glanzende jurk, een jurk of er groen licht in gloort, naar hem toebuigt, en hem meisjesachtig uitlacht . . . Hij knipoogt er van. „Een prachtige hals heeft ze", geeft hij toe, „jongen ja, wat heeft die vrouw een móóie witte volle hals — een hals om er in te bijten." Maar hij blijft zitten. „Anders krijg je weer zoo'n Oxford-gesprek." Hij bestelt nog een cocktail. En hij schaamt zich voor zijn eenzaamheid. „Maar dat weet ik al zoo lang", denkt hij onbeholpen. Hij haalt een brief uit de binnenzak van zijn jas en vouwt die open en trekt een gewichtig gezicht. Maar hij laat die brief al gauw weer op de tafelrand zakken. „Ik heb een huis en daar zitten vreemden . . .", en hij kijkt dommelig, omdat zijn oogen zoo schrijnen. En het is vreemd dat het kleine goud-kleurige restaurant-zaaltje het zoo weinig doet vanavond. De champagne-kleurige wandbespanning en de lage betimmering van Finsch berken maken niet zoo'n glorieus effect als anders. Hij kijkt over de tafeltjes heen: lange rijen wijn-glazen boven lange rijen sneeuw-witte couverts . . .

Op weg naar huis ziet hij Dominee Artzenius. Artzenius rent op zijn fiets door het donker, altijd heeft Artzenius haast. „Maar wat haalt al dat gejakker uit?", denkt Taco. En als hij dat gedacht heeft, ziet hij nog dat krachtige gezicht van die man. „Een man als een dorpssmid", heeft iemand 's gezegd. „Ja", moet hij verwonderd erkennen, „een man om een moker op te nemen en aan de blaasbalg te trekken tot het vuur hui-