is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN rond gedreun rolt voorbij: wagenwielen, een fijn plechtig wijsje klingelt naar omlaag: het carillon van de Lambrechtstoren speelt . . . Een stem prijst iets aan: een straatventer. Taco wendt zich om naar iets dat wonderbaar klaar is en wijd en hoog, een blanke wereld, de aarde in de morgenzon . . . „Een nieuw Jeruzalem?", maar dan kan zijn verlangen de wijkende droom niet meer achterhalen: hij luistert al naar de geluiden van de dag. De klokken, slaan, het bed naast het zijne kraakt. „Ik heb gesproken — dat was vannacht. Ik heb met haar gesproken en we hebben niet gepraat." Hij wil zuchten, en houdt die zucht in. „Kun je dan niets zeggen?", vraagt hij weer, in zijn gedachten, aan Anne-Cris. Hij wacht meteen. Zoo gauw zijn oogen open gaan, wacht hij. Nee, ook daarvoor wachtte hij al, zoo gauw hij wakker genoeg was om te luisteren, om een gedachte te hebben, wachtte hij heimelijk. En nu wacht hij nog — wacht hij openlijk: hij wendt zijn gezicht naar Anne-Cris toe, hij blijft nog wat liggen en ademt zacht. Maar er gebeurt niets bizonders. Hij wil er om glimlachen: „Wat had je verwacht?, een late Sint-Nicolaas?, een nieuw leven in je schoen met hooi, onder de schoorsteen?" Een stem in hem zegt: „Ze kon haar hand toch stil op jouw hand leggen? Al was het alleen dat maar." Anne-Cris is ook wakker. Ze rekt zich uit. „Geen — regen?", vraagt ze. De eenzaamheid van het leven valt in die twee woorden breed over hem heen. „Nee, het regent niet." Hij kijkt voor zich uit. Hij kijkt ook voorzichtig terug in de nacht — in vroeger, hij kijkt ook over de komende dag heen naar de toekomst. Alles is onbestemd.