is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij dan ineens: zacht sparregroen, glinsterende denneappels, roode bessen, goud herfstblad, blozende anemoontjes — ijsbaarden: zomer, winter, herfst, lente, alles door elkaar heen. Hij kan zijn gezicht ook in een berm met kleine paarse viooltjes drukken en dan denkt hij wat onthutst aan Cobie. Zoekend kijkt hij de Prinsenstraat in. Hij mist daar al een tijd lang iets. „Ja", valt hem in, „Kaatin! Waar zit die man?"

Hij gaat naar huis, eet daar — en wacht. De vreemde stilte in Anne-Cris haar gezicht kan door niets verstoord worden: niet door het blerren van de jongens en niet door de flaters die Catrientje Helmieg begaat en niet door de zuur-zoete opmerkingen van Weigel, die nieuwe stilte is op haar gezicht vastgegroeid, op haar glimlach ook en ook op haar kregelheid. Hulpeloos kijkt Taco er naar. „Wat kun je er tegen doen?", denkt hij, „het is het begin-stadium van Oxford, Crijna was eerst ook zoo." Hij observeert haar toch gedurig. Naar Cobie luistert ze wat afzijdig. Weigel tracht ze een bepaald inzicht bij te brengen. In hem-zelf heeft ze zoo zeer geen erg. „Waar wacht ik nog op?", denkt Taco.