is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nou werkelijk eerst naar Anne-Cris toe?, direct maar weer?, zonder uitstel?" Hij tuurt ook nog 's naar die krabbels op zijn bloc. „Toch — zonderling", denkt hij verward, „dit alles — je wil er eigenlijk volstrekt niet aan — en je móet..." Hij zou zich graag nog 's achterover laten vallen — hij staat op ...

Zoo gauw hij het huis aan de Schillerstraat binnenkomt, krijgt hij iets omzichtigs, loopt hij of de vloer van glas is. „Anne-Cris?", denkt hij vragend. Hij hoort haar niet, hij hoort heelemaal niets. Het is opvallend stil in huis. Hij doet de eene deur na de andere open en dicht. Anne-Cris is er niet. Hij kijkt op de klok. „De jongens zijn nog op school." Hij gaat naar de keuken, geen geluid dringt tot hem door. Catrientje Helmieg is er toch wel. Stil verricht ze een of ander karweitje bij de gootsteen. Ze kijkt met wat stars. „Mevrouw hier niet?", mompelt hij. Ze wijst de trap op naar boven. Het is gek dat het kind niets zegt, dat ze enkel maar wijst. Een oogenblik ergert het hem. „Stomme kaffer zoo'n meid, kijkt net of ze het in Keulen hoort donderen." Dan bedenkt hij, dat hij hier gekomen is, om over zijn schuld te praten en hij vergeet die kleine domme meid. Hij knaagt een beetje op zijn onderlip en hij loopt niet al te vlug.

De afgesloten schemerige ochtend-in-huis heeft wat vaals. Het is ook of de starre wezenlooze dingen hem met een sombere blik opnemen, de schotels op de muur, de prenten, de lantaarn. „Je bent niet zuinig van streek, Vader!" Hij loopt op zijn teenen, hij sluipt. „Vroeger deed ik zoo om — af te luisteren, om ergens achter te komen. En nou?, óok om af te luisteren . . .