is toegevoegd aan je favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontkracht valt Maarten op zijn stuttende ellebogen. Welk bar ontwaken en dat hij zich zoo blijde had gedacht. Praten, kan hij nog niet, wel mat glimlachen. Glimlachen als een verdwaasde, als een kind dat een gouden pennendoosje heeft bekomen, eindelijk. Ze bukt zich knielende over hem heen en vraagt, of hij water wil hebben, dan zal ze water halen. Hij ziet naar haar op, schudt afwerend zijn hoofd. Maar zijn bevende hand zoekt de hare en die trekt hij dankend voor het gouden doosje naar zijn borst. Een willige hand, die den zieken jongen begaan laat.

En hij ruikt de warmte uit den rullen grond ontstegen, den kruidigen geur van de spirea en een zwaren weibehaaglijken geur, gelijk van pas opengebarsten gele plomp. Heur haren geuren gelijk deze zoete bloemengeur van den zomer, een zware wolk geluk wervelt door hem heen. En zijn handen omvatten Vera's tot hem neigende hoofd: „Vera," kreunt hij en bijna had hij gehoest met zijn mond aan haar warme oogkassen: „Vera ik wil niet sterven, ik wil niet, ik wil niet!"

„Kon ik je helpen, wat kan ik doen?" is haar uitgesnikt antwoord. Wat kan zij doen voor haar zieken lieven vriend met de fluit, die heur haren bevend streelt en kust. Ze is zoo sterk, ze heeft zooveel kracht, kracht ook voor hem wel. O, kon ze haar hart drukken tegen zijn hart, aldus kracht van haar kracht op hem overbrengen. Aldus, van haar overvloed aan sterkte hem deelgenoot maken. Maar ze ziet het toch, ze ziet den dood al staren naar zijn weggeteerde gestalte. Wat is hij doorzichtig geworden en angstaanjagend uitgemolmd in die vijf weken.

„Ik ga dood, Vera. Ik ben heelemaal van droge kalk