is toegevoegd aan je favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden van binnen," zegt hij, bijna stikkende]un zijn ontroering. „En ik wil niet dood, help me toch! Help jij me toch! Ik wil niet!"

Haar hulp is maar zoo weinig tegenover het groote dat hem wacht. Ze streelt zijn hoofd, ze kust de mooie hand, die de hare omklemd houdt. En ineens ziet ze tot haar verbijstering, hoe een vreeselijk beestig licht in zijn oogen oplaait. Zijn handen omgrijpen alreeds haar lichaam waaraan hij rukt met al zijn kleine kracht, zijn mond hangt beestig open, nu hij die naar den haren dwingt en hij hijgt als een opgejaagd dier. Maar Yera weert hem krachtig af, diep verschrokken. Hij stuntelt overeind, heeft zoowaar zijn stok noodig om dat te kunnen en zie .... daar staat hij, bevende, wankelend.

„Maarten toch, wat deed je daar, Maarten. Zóó kende ik je toch niet, Maarten."

„Ik en weet het niet."

„Ben je dan al net als die anderen?"

„Ik wil niet sterven, Yera. . . . En die vijf weken, die vijf lange weken hier in 't land alleen, zóó eenzaam. Geef me nog eenmaal een hand, nu nog maar eens."

Ze aarzelt niet, gaat frank naar hem toe en legt haar hand in de zijne. „Maarten.... doe dat toch nooit meer."

„Nee, Yera, ik heb er zoo tegen gevochten. Ben je nou ook bang geworden van mij ?"

„Ga nu rustig naar huis, jongen. Doe dat. Ik ben niet bang, ik ben niet boos. Alleen maar bedroefd. Ik dachtje was zoo sterk in alles, ook in dat. En juist jij."

„Ik wil niet sterven, Yera," weent hij.

„Wat ben je veranderd, ik herken je haast niet meer. En ik, die zoo naar je verlangd heb, Maarten, om weer