is toegevoegd aan je favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gieneen."

„Maar loopen er zooveel jongens om je?"

„Da's te zeggen .... nee niet allemaal die 'k daar noemde. Maar toch wel veulen."

„Zoo. En geef je ze allemaal een beetje toe?"

„Niks hoor. Als een huisdochter met een jongen gaat vrijen, zoo is het onze manier, dan wordt dat trouwen."

„Dus als ik je een zoen geef, dan gaan we trouwen?"

„Nee, maar dan kan je morgen niet uit je oogen kijken. Want die heb ik dan dichtgetimmerd, baasje."

„Denk je dan, dat je me aan kan?"

„Wel driemaal!"

„Probeeren?!" lacht Pieter en vat het frissche landjonk kloekmoedig beet. Maar ach, .... al haar fiere kracht heeft ze zeker niet aangewend, want ze geeft zich na wat tegenspartelen al gauw gewonnen. Ja, ze drukt haar zware blonde hoofd koesterend in zijn klemmenden armgreep.

„Zoo zijn jullie mannen nou allemaal," smaalt ze.

„Maar jullie meiden daarentegen hebben er een hekel aan, waar Marregie." En hij knuffelt haar naar hartelust .... ach, wat beleeft Pieter heden goeie avonturen in den polder. „Doe je dat graag, Marregie . . . ." vraagt hij haar liefjes in het oor.

„Jaat, zegt ze, zich schamend. „Maar we beleven ook zoo weinig, hier in die achterafsche buurt. Niks mag. Maar hier op de kaai ben je vrij. Daarom."

„En dus neem je mij voor lief. . . ." zegt Pieter nadenkend, „een burger uit de stad, een man op jaren."

„Stadslui zijn allegaar zoo anders. Zoo aardig