Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook overreden rustig te gaan slapen. Karbani zelf zou nu naar Waterlo teruggaan en de mensen zóver bewerken, dat ze zeker niet zonder meer zouden optrekken. Natiman zou dan allen bij elkaar moeten roepen en zijn hoogste troef uitspelen, door te vertellen, dat hij den Zoon van Suratno in zijn macht had. Daarop zou de oude mandoer hem publiek voor grootspreker en leugenaar uitmaken, en zeggen: niemand hoefde dat zo maar te geloven zonder bewijs; hij moest den jongen laten halen, dan pas zou hij het geloven en zijn toestemming geven.

Karbani rekende daarbij op de achterdocht van de Javanen; ze zouden hem zeker bijvallen en eisen, dat de jongen in hun midden gebracht werd; waarschijnlijk zouden ze blij zijn, een reden te hebben om, zonder Natiman vierkant ontrouw te worden, hun gewaagde onderneming uit te stellen, of zelfs helemaal op te geven. Als dan bleek, dat de jongen er niet was, had Natiman de slag zeker verloren.

Max luisterde aandachtig naar dit plan en begreep, dat het zo het verstandigste en veiligste voor hem was. Toch wilde hij er niet aan; diep in zijn hart brandde de haat tegen Natiman; hij had alüjd geweten, dat Natiman zijns vaders vijand was, maar had dat beschouwd als een persoonlijke zaak tussen die twee. Nu was Na iman ook zijn vijand geworden; met een overmacht van tien, twaalf man had hij hem aangevallen, gebonden en weggedragen. Max twijfelde geen ogenblik: als het bekend werd, zou Natiman zwaar gestraft worden, maar dat voldeed hem niet; hij wilde niet als een kind door zijn vader gewroken worden; hij zou zichzelf wreken. Heel Nickerie, heel Waterlo, voor zijn part heel Suriname zou weten, dat niemand hem ongestraft zó kon behandelen; hij was geen kind meer! ^

Meer onder de invloed van zijn eigen gedachten dan van Karbani s woorden, raapte hij de weggeworpen dolk op en beproefde er de scherpte van. De mandoer zweeg en keek met welgevallen naar den jongen Javaan; houding en gelaat verrieden maar al te duidelijk, wat er in hem omging en Karbani had zelf geen Javaan moeten zijn, om geen sympathie te voelen voor de wraakplannen van zijn jongen rasgenoot.

Toch schudde hij ernstig zijn hoofd, ging naar Max toe, en, ofschoon deze nog geen woord gesproken had over zijn plan, sprak hij:

„Niet doen, Max!" ,

De jongen keek hem bijna vijandig aan: „Waarom niet.

Sluiten