Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgestoken had, om hem te doen struikelen. Hij viel languit op de grond en nog vóór hij tijd had, om op te staan, schoten ook anderen toe, om hem zijn kris af te nemen en stevig vast te houden. Voor alle zekerheid zocht men verder en vond nog een kris en twee revolvers; men nam hem alles af en wachtte, tot de mandoer beslissen zou, wat gebeuren moest.

Karbani zag, dat Max voldoende beschermd stond en begreep, dat ze Natiman toch niet konden blijven vasthouden; zover strekte zijn macht zich niet uit. De strafbare feiten, die Natiman gepleegd had, hoorden bij de politie thuis; hij zou ze de volgende morgen kunnen rapporteren, maar nu alles toch goed afgelopen was, besloot hij het er bij te laten. Hij liet op de gong slaan om stilte, en sprak toen:

„Mannen, we kunnen de zaak als afgedaan beschouwen; we Zetten ons leven van werken en spelen weer rustig door. Laat Natiman los en als hij verstandig is, zal hij alles vergeten en gewoon doen als anderen."

Terwijl hij deze laatste woorden zegt, weet hij al, dat Natiman onmogelijk zal kunnen vergeten, maar toch schrikt hij op, als deze uitvalt:

„Vergeten? Nooit! Maar lang zal ik het ook niet onthouden! Allah verdoeme jullie allemaal, maar mijzelf en die jongen zal ik naar de verdoemenis helpen, binnen acht dagen, dat zweer ik, Natiman!"

De meeste Javanen hoorden zijn woorden onverschillig aan; dat was tenslotte zijn zaak! Velen lachten met zijn machteloze woede, wilden toch maar duidelijk laten zien, dat zij hem nooit ernstig hadden genomen. Slechts enkelen keken hem bezorgd na, toen hij zijn beide krissen weer bij zich stak en in het donker verdween.

Onder hen waren Karbani en zijn vrienden, die achterbleven in de school, toen alle anderen waren heengegaan. Ook de drie jongens stonden nog op de plaats, waar ze zo onverwacht verschenen waren, elk vervuld van zijn eigen gedachten.

Mac genoot nog volop van zijn schitterende wraak: hij dacht aan geen dreigend gevaar, dacht niet aan wat moest gebeuren; telkens doorleefde hij weer het ogenblik, waarop hij geroepen had: „Ik!" Het was precies op tijd geweest! Hij zag nog vóór zich de verbaasde gezichten der Javanen, de woede van Natiman !\it had niet fijner kunnen gaan!

Sluiten