Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gauw gemerkt, dat Freddy niets anders bij zich had dan wat sodabeschuiten.

„Jongens, ik heb een voorstel! Alles wat eetbaar is, doen we in een trommel bij elkaar en we dragen aan Roland het toezicht daarover op; die moet zorgen, dat alles eerlijk verdeeld wordt. Kleren en dekens doen we in de andere trommel en daar zorg ik voor. Freddy neemt de hangmatten voor zijn rekening en verder alles, wat we al hebben, of wat hij nog maken zal voor het jagen en vissen; daar heeft hij het meest verstand van!"

Natuurlijk werd dit voorstel met algemene stemmen aangenomen; „alleen als 't zou gaan regenen," zei Freddy, „moeten de hangmatten ook in een trommel, want van slapen in een natte hangmat, word jeziek."

Roland vervulde zijn taak van proviandmeester uitstekend en onder veel kijken en gekheid maken liep de eerste maaltijd van hun reis vlot van stapel.

Maynard, die weer aan 't stuur zat, nodigde hen uit, bij hem te komen zitten, dan konden ze nog beter zien; op het bankje was nog best plaats voor Max en Ro, terwijl Freddy zich gezellig nestelde in het hoekje tussen het stuur en de voorplecht. Met zijn gezicht naar de beide anderen toegekeerd, de armen om de opgetrokken knieën geslagen, zat hij hen zo gelukkig en tevreden aan te kijken, dat ze er alle drie om moesten lachen.

De motorist kende het ventje wel; hij had zich dikwijls genoeg geergerd aan mensen, als bij wie de jongen thuis was. Onder schijn van menslievendheid nemen ze een Indiaans jongetje of meisje in huis, om het zogenaamd te verzorgen en op te voeden; maar meestal was het niets dan een verkapte slavernij, 't Liefst namen ze een weeskind, waarvan ze aan niemand verantwoording schuldig waren; ze lieten zulk een kind beestachtig hard werken, maar zorgden wel, dat het er aardig uitzag, als het boodschappen moest doen of als er bezoek was. Vooral Mulatten-families vonden het voornaam staan zulk een slaafje of slavinnetje er op na te houden. Hun aangeboren schuwheid en zwijgzaamheid voorkwamen lastige klachten en tegen de tijd, dat ze groot werden en de aardigheid er af was, vond men al gauw een reden, om zich van zo'n kind te ontdoen; domheid, luiheid, koppigheid, brutaliteit, jawel! Je kon een Indiaantje, dat zó opgevoed, of liever, niet opgevoed was, makkelijk genoeg van alles en nog wat beschuldigen!

Sluiten