Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roland denkt meer aan Freddy dan aan de vis. Dat had hem, of een andere Creoolse jongen 'ns moeten overkomen: uitgelachen, voor gek gescholden te worden en dan zo'n succes te hebben! Man, wat zou-ie opgeschept hebben: Nou, zie je wel, zie je wel? Dat praat maar van gek, maar je ziet, ik kan het fijn!

De Indiaan was onder het schelden even rustig gebleven als bij z'n succes, juist, alsof geen van beide hem aanging. Indianen hadden 't op zo'n manier toch gemakkelijk; die lieten alles maar zwemmen en trokken zich nergens wat van aan. Ook 'ns proberen, dacht Roland; kijken, hoe lang ik het volhoud.

Vlak bij het huisje van de politie gekomen, hoorden ze de fluit van de Carolina. De beambte kwam hen al tegemoet.

„Zo jongens, goedendag! Ga maar meteen door naar het steigertje; baas Maynard wacht al op jullie, 'k Heb 'n paar cocosnoten voor jullie in de boot gebracht; die lusten jullie zeker wel?"

„Dag, m'neer," groetten de jongens op hun beurt, „we hebben 'nvis voor U meegebracht uit Nickerie! Alstublieft!" En Roland reikte hem de vis toe.

„Kijk, ik wist niet, dat Nickerie zo dicht bij was," lachte de politieman. „Hij is zelfs nog nat! Wel bedankt hoor, die gaat vanavond nog in de pan!"

„Eet U pireng?" vroeg Roland slim.

„Niet dikwijls, ofschoon-ie zo kwaad niet smaakt; maar dit is geen pireng."

„Wat dan?"

„Ja, hier de Arowakken-Indianen zeggen: kartabakoe, maar in de Coppename, waar ik vroeger zat, noemden ze hem anders, k weet niet meer hoe."

„Zie je wel, boy," riep Siegfried, „dat het geen pireng is, 'k heb 't wel gezegd!"

„Ja, nou heb je 'n grote mond, maar als Freddy......

Ineens hield Roland z'n mond. Kon-ie 't nou geen vijf minuten volhouden?

Ondertussen waren ze aan de boot gekomen, waar de politiebeambte, die door Maynard op de hoogte gebracht was, hen uitnodigde, hem eens te komen opzoeken, dan zouen ze samen op jacht gaan. Onder gejuich werd dit voorstel aangenomen en in de beste stemming werd de reis voortgezet.

Sluiten