Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou toch goed afgelopen zijn, en God heeft er niks aan hoeven doen. Moet ik die belofte nu toch houden en gaat God me anders straffen?"

Sloote twijfelt niet meer: de jongen is werkelijk bang, doodsbang; hij is al te oud en te wijs, om zich met 'n: „je hoeft niet bang te zijn' te laten geruststellen.

„Weet je, wat ik daarvan denk, boy? Zoals het kwaad zichzelf straft, zo beloont ook het goede zichzelf. Ik heb van baas Maynard gehoord, waarom die kleine Indiaan zo veel van je houdt: je bent goed voor hem geweest, toen iedereen hem uitlachte en voor den gek hield. Dat was goed van je en nou heb je de beloning voor dat goede gekregen. Daarmee is echter niet gezegd, dat God er niks aan hoefde te doen! Wie aan God gelooft, zegt: alle goed komt van God; dus ook jouw goedheid voor dien Indiaan; en daaruit volgde weer het verlangen van dat ventje om jou te helpen."

„En die belofte?"

„Ja, kijk 'ns, hoe dat precies zit, moet je bij gelegenheid maar 'ns aan 'n zendeling of missionaris vragen. Ik zou zeggen; zo maar laten dopen, hoef je vast niet; dat zou ook niet gebeuren ook; als je kans krijgt, probeer dan het Christendom te leren kennen, dan kun je nog altijd zien."

„Dus tot zolang zal God me niet straffen?"

„Beste jongen, onthou dit voor eens en voor altijd: Het Christendom leert, dat God goed is, of, zoals de bijbel zegt: God is Liefde! Daarom kan God nooit willen, dat 'n jongen bang voor Hem is. Blijf goed voor anderen, blijf flink — je weet wel, wat ik bedoel! — en als je ooit nog 'ns aan God denkt, doe het niet in angst, maar in vertrouwen."

Max had tranen in z'n ogen, toen hij z'n hand uitstak: „Dank U wel, mijnheer, ik zal m'n best doen!"

Toen ze weer bijna bij het huis terug waren, stond hij opeens stil. „Zou God ook kunnen zorgen, dat m'n moeder weer thuis komt?"

Sloote, die door den motorist volkomen op de hoogte was gebracht,

aarzelde geen ogenblik.

„Natuurlijk, jongen; maar misschien wil Hij jou daarvoor gebruiken; als jij 't haar vraagt, doet ze 't misschien wel."

Terwijl de jongen nogmaals bedankte en naar de waterkant liep, bleef Sloote hem nastaren en dacht bij zichzelf: 't zou toch wel

Sluiten