Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat ik van je weet, krijg je minstens twee jaar met openbare tewerkstelling!"

Max bedoelde het heel goed, maar deze slag komt te hard aan. Als Roland zo iets gezegd had, kon Janni misschien denken, dat het opschepperij was en bangmakerij, maar hij merkt heel goed aan den Javaan, dat het menens is. Hij ziet zich al geboeid met de barkas naar Nickerie gevoerd, de gevangenis in en dan elke dag met 'n troep „strafmannen" in die donkerbruine gevangeniskleren de wegen schoonmaken of trensen uitbaggeren.

Zijn gezicht wordt asgrauw, alles draait hem voor de ogen, over heel z'n lichaam breekt het zweet uit en nog net kan hij op de grond gaan zitten, anders zou hij gevallen zijn; een tijdje hoort hij niets dan een sterk zoemen aan z'n oren, waarin heel ver woorden klinken; er praat iemand tegen hem, maar hij kan er niets van verstaan.

Max is geschrokken over de uitwerking van zijn woorden en staat er radeloos bij. Dan roept hij naar boven: „Ro, Ro, gauw breng een mok water, Janni wordt niet goed!"

Nog vóór Ro goed weet, wat er gevraagd wordt, heeft Cornelis al een koelkruik en een mok uit de hut gehaald en komt er mee naar beneden. Samen schuiven ze Janni eerst wat verder van het water af, tot waar de oever recht omhoog gaat; daar kan hij tegen aan leunen en dan geven ze hem een mok water te drinken. Het zweet breekt hem opnieuw uit en loopt met straaltjes van z'n gezicht. Hij doet zijn ogen open, glimlacht flauw en zegt: ,,'t Is alweer over!"

Max wenkt Cornelis, om weer naar boven te gaan en gaat naast Janni zitten.

„Boy, je moet niet zo schrikken; ik heb nog niks verteld en zal niks vertellen ook. Maak je maar niet bang, er zal niks gebeuren."

Voor ieder ander zou Janni zich geschaamd hebben, Maar Max kijkt hem zo trouwhartig aan en legt zo gemoedelijk zijn arm om Janni's schouders dat hij zich helemaal op zijn gevoel laat en begint te huilen. Zijn snikken doet Max weer denken aan die stille bijkeuken, waar hij alleen was met Janni's moeder. Dat weerhoudt hem even, om er ruw een eind aan te maken, ofschoon dat huilen hem evenmin aanstaat als dat flauwvallen. Bah, wat konden die Creolen toch weinig hebben! Met zekere trots denkt hij aan Roland; die was nog jonger dan Janni, maar toch honderdmaal flinker dan die slappeling!

Sluiten