Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Max de brief voorgelezen had, keken de jongens elkaar eens aan. Wat nou? Cornelis en Freddy, die het Hollands maar half begrepen, hadden goed verstaan: Kom maar terug! en meenden, dat alles nu verloren was. Roland had al gauw zijn oplossing klaar: „Dat komt prachtig uit! Je vader wil je naar de stad sturen; of je nou met de boot gaat of door de bossen, dat zal hem niet kunnen schelen. Dus je gaat gewoon mee morgenochtend!"

Max voelde er alles voor, maar was er toch niet gerust op; z'n vader zou natuurlijk op de steiger zijn, om hem af te halen en hoe zou-ie t vinden, als hij niet kwam? Zou hij het er op wagen? Of niet?

Kon hij maar iemand om raad vragen! Wacht, mijnheer Sloote zou meegekomen zijn; maar waar was die gebleven? Hij had hem niet eens gezien en, eerlijk gezegd, niet eens aan hem gedacht! „Jongens, hebben jullie mijnheer Sloote in de barkas gezien?" Alleen Cornelis bleek hem gezien en gesproken te hebben; de anderen hadden het te druk met hun pakjes. Aan Cornelis had hij gezegd, dat hij nog een eindje met de barkas hoger moest, om een goudzoeker te spreken en op de terugweg op Washabo zou aankomen. Daar zouden ze dan maar op wachten. Max begon vast de koeken te verdelen: „Dan hoeven we die morgen niet mee te dragen!"

„Dus je rekent er zelf al op, dat we gaan?" vroeg Freddy hoopvol.

„Nou eigenlijk wel; alleen als mijnheer Sloote zegt: 'k zou het in geen geval doen! dan "

„Ja, wat dan?"

t Bleef stil. Geen der jongens kon zich eigenlijk iets anders voorstellen, dan dat ze de volgende morgen samen de bos-tocht zouden aanvangen.

Gelukkig bleek mijnheer Sloote, die een uurtje later kwam, ook van diezelfde gedachte. Als Max toch naar de stad moest en alle omstandigheden nu eenmaal gunstig waren, om binnen door te gaan, Zou Max vader dat wel goedvinden. Onder het ervaren geleide van Henri Prince zouden ze best door het bos komen, 't Zou wel wat dichtgegroeid zijn, maar waar verschillende keren was gelopen, zou t openkappen weer tamelijk makkelijk gaan. Prince was een echte bosman en zou niet verdwalen. Voor tijgers hoefden ze niet bang te zijn — „die eten hier alleen maar kippen" bromde Roland er tussen door —, als ze 's nachts maar goed een klein vuurtje onderhielden.

Sluiten