Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE HOOFDSTUK Gevaren van het Oerwoud

De eerste dag van hun tocht door het oerwoud bracht weinig moeilijkheden; urenlang konden ze doorlopen zonder te kappen. Cornelis legde hun uit, hoe dat kwam. De Indianen leven niet alleen van jagen en vissen, maar leggen ook kostgronden aan. Ze kappen het bos open, branden weg, wat niet weggekapt is en planten cassave patatten, bananen, katoen, nappi, enz. Is de grond uitgewerkt, dan beginnen ze ergens anders weer opnieuw, vaak heel ver van het eigenlijke kamp af. Gemakshalve volgen ze echter eerst een reeds gekapte „lijn", waardoor deze vrijwel open blijft. Zulk een pad behoefden de jongens die dag maar te volgen. Prince liep voorop, rustig stappend, zonder zich te bekommeren, of de jongens bij bleven of niet. Dezen maakten daar volop gebruik van; bleven staan bij een nooit gezien vogelnest; bleven staan, om een brutale kwattaaap na te kijken; bleven staan bij de duidelijke sporen van een buffel; bleven staan om in spanning toe te kijken, hoe een grietjebie >) rustig fladderde langs een groene tak; plotseling begon de tak te leven: een groene papegaaislang, die er zich omheen gekronkeld had, greep het angstig piepende vogeltje en wurgde het.

Na elk oponthoud liepen ze in een draf, om Prince in te halen; zóver waren ze toch al wel in het oerwoud, dat ze begrepen, hoe verdwalen noodlottig kon worden.

Ze hebben een geweer, bogen en pijlen; daarbij Max en Ro hun katapult. Maar ze doen geen moeite, om iets te schieten; ze hebben, behalve twee manden met cassave-broden, zeker voor twee dagen toespijs genoeg. Waarom dan wat schieten? Zoveel te meer hebben ze te dragen! De vrachten zijn eerlijk verdeeld. Prince, die 't vandaag makkelijk heeft, maar de volgende dagen genoeg te kappen zal hebben, draagt niets; hij heeft hiertegen wel geprotesteerd, maar de

*) Grietjebie: vogeltje.

Sluiten