Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stenen, die nog op de longtom voor de zeef liggen. Ziet hij daar niet wat geels? Hij strekt zijn hand uit, pakt wat vast en vraagt: „Is dit "

Maar nog vóór hij zijn hand teruggetrokken en zijn vraag voleind heeft, grist Roland hem het steentje uit zijn vingers en roept: „Van mij!"

Met open ogen blijft Freddy staan en merkt niet eens, dat door het grissen zijn hand opengekrabt is en een paar bloeddruppels van zijn vingers in de kuil vallen. Max ziet het wel! „Ro!" klinkt het schril, en als de voorman hem niet had tegengehouden, zou hij zich woedend op zijn vriend gestort hebben.

„Apen van jongens! Zal me daar waarachtig elkaar nog half vermoorden, om een stukje goud, wat niet eens van jullie is!"

Zijn stem klinkt kwaad, maar hij is eigenlijk meer ontroerd dan boos. Zou er toch werkelijk een vloek op dat goud rusten? Zou het oude sprookje toch waar zijn van den Aardkoning, die elke diefstal van zijn schatten met bloedige twist en tweedracht wreekt?

Ook de andere mannen, die eerst lachend hebben toegekeken, zijn ernstig geworden, 't Is, of de Boze er mee speelt! Kijk nu toch eens die paar vrolijke jongens, die toch wel dikke vrienden moeten zijn, anders maken ze samen niet zo'n tocht door het bos, ineens veranderd in 'n paar felle kemphanen! 't Ontbreekt er nog maar aan, dat die Javaan en dat Indiaantje elkaar ook nog aanvliegen!

Arme Ro! Hij heeft nu een groter pepiet in z'n handen, dan hij had durven verwachten; maar hij is er helemaal niet blij mee, hij „ontploft" helemaal niet! De schreeuw van Max klinkt hem nog in de oren, en, als hij opkijkt, ziet hij, hoe Freddy zijn vingers aan z'n mond brengt, om het bloed op te zuigen. Max is van z'n eerste schrik en woede bekomen; de voorman laat hem los, maar als Ro hem aankijkt, slaat hij meteen weer z'n ogen omlaag; Max' verwijtende blik kan hij op dit ogenblik niet verdragen.

Z'n eerste opwelling is, de pepiet weg te gooien, zover mogelijk; hij haat het dof-glinsterende ding! Maar dan bedenkt hij zich en doet een stap naar het Indiaantje: „Hier Freddy, 't is van jou!"

Zonder nadenken doet Freddy meteen het enige goede, wat hij in deze omstandigheden kan doen. Met één stap is hij bij Ro, neemt de pepiet aan, zegt eenvoudig: „Dank je, 'k wist wel, dat je 't niet meende!" en als hij ziet, dat Ro tranen in z'n ogen krijgt, leidt hij

Sluiten