Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Fijn, baas, en hoe maken ze het nog in Nickerie?"

„Heel goed; jullie moeten de groeten hebben van jullie familie en ik weet niet, wie al meer!"

„Waar gaat de barkas naar toe, baas?"

„Naar de stad en als jullie willen, mogen jullie mee!"

„È, è! naar de stad?"

„Ja, achterin zitten een stuk of twaalf melaatsen uit Nickerie, die naar een van de melaatsen-inrichtingen gaan; in de stad mogen ze kiezen, naar welke van de drie ze willen. Er is al zo lang sprake van geweest en eindelijk heeft het Gouvernement een barkas beschikbaar gesteld, om ze binnendoor naar de stad te brengen; met de koloniale Zeeboot mogen ze niet. En nou heeft de Commissaris gezegd, als ik jullie ergens zou ontmoeten, mocht jullie mee naar de stad; hij zou het later met mijnheer Suratno wel regelen over het geld. Je hoeft niet bang te zijn voor de melaatsen; die blijven achterin; jullie voorin met een dokter, die uit de stad gekomen is, om ze te halen. Hij is nou bij ze, kijk, daar komt hij juist aan. Dit zijn onze nieuwe passagiers, dokter...... tenminste, jullie gaan toch mee?"

Nog maar net kon Ro zijn verbazing bedwingen, toen de dokter, die langs de machinekamer geklauterd was, zich naar hen toekeerde. Was dat een dokter? Dat was een koelie! Waren er ook al koeliedokters? In Nickerie had hij wel koelie-meesters meegemaakt, maar het was nog nooit bij hem opgekomen, dat een koelie ook dokter kon worden!

Dokter Hanumansingh ontsmette zijn handen en groette de jongens vriendelijk: „Dag wereldreizigers! 'k Heb van jullie gehoord en ik vind het flink van jullie, wat je gedaan hebt. Gaan jullie mee naar de stad?"

»Dag dokter," zei Max beleefd, terwijl hij hem een hand gaf; ik ben Max Suratno en dat is mijn vriend Roland Immanuel. U moet maar niet kijken, hoe we er uit zien, we zijn.

„Jullie zijn boslopers en die horen vuil te zijn", lachte de dokter, „maar gaan jullie mee? We zullen het best kunnen vinden samen, denk ik; als een Javaan en Creool zulke dikke vrinden zijn, zal een Hindoestaan als derde er wel bij kunnen; denk je niet, Roland?"

Verlegen drukte Ro de hem toegestoken hand en zei stug: „We hebben al een derde, Freddy een Indiaan!"

Met moeite bedwong dokter Hanumansingh een glimlach. „Goed-

Sluiten